Anekdote uit Hé dokter, word wakker van Umut Nefertiti – Het sprookje van de PTT

Heeft u vragen over één van onze diensten of producten?

Neem dan gerust contact met mij op: (06) 53 56 50 87

 

Leuke anekdote uit ‘Hé dokter, word wakker’ van Umut Nefertiti

Dit is een interessant en leuk boek waarin wordt beschreven hoe de macht van het geld de gezondheidszorg en onze samenleving op een negatieve manier heeft beïnvloed. Als we weer naar onze passie en onze missie gaan leven en geld weer als (spiritueel) middel zien i.p.v. als doel op zich zal de wereld er heel anders uitzien.

Het sprookje van de PTT

Heel lang geleden maar dan echt heel lang geleden, in de tijd dat er nog geen email bestond, ja, toen er zelfs nog niet eens een gewone post werd bezorgd, leefde er eens een koning, in een land hier heel dichtbij. De koning was getrouwd met een heel mooie en lieve prinses uit een ander land, dat toevallig heel ver weg lag. Toen er op een dag als door een wonder een prinsesje geboren werd, sprak de koning tot zijn vrouw: “Lieverd, ik ga het even aan je moeder vertellen, die is toch de eerste die er recht op heeft om het te weten”.

Hij zei er niet bij dat hij na één nacht al een beetje genoeg had van dat gekrijs. En dat een reisje dus wel een mooie kans was om er even tussenuit te knijpen…

“But, but, but…. ” stamelde de prinses (in haar land spraken de mensen Engels), “Joe cannot let me alone hier. Joe know, that de ministers have just besloot, that we have but zeven days recht op kraamhelp. Ik red dat not alone. en ik kan ook niet ask my mother to come, so …. En abovendien, you will be twee maanden under the way met that old horse of you”. Dat Nederlands-Engelse taaltje, daar was de koning wel aan gewend en eerlijk gezegd vond hij het wel sexy klinken. Dat was ook precies de reden dat hij een minister had laten onthoofden, waarvan hij dacht dat die over een inburgeringscursus wilde beginnen. (De minister was er nog niet over begonnen, maar de koning voelde wel aan dat-ie erover zou beginnen). Als officiële reden schreef hij op het opdrachtformulier voor de beul, dat de opmerking van de minister zeer ongepast zou zijn geweest, als hij hem inderdaad uitgesproken zou hebben.

Maar de echte reden (dat hij niet wilde dat iemand iets zou gaan doen aan dat sexy klinkende taaltje van zijn prinses), durfde hij natuurlijk niet te zeggen. Hij had het gevoel dat hij af zou gaan als hij zou zeggen dat dát de echte reden was.

Er is later overigens nog een hoorzitting over deze zaak geweest, maar dat is voor de kern van dit verhaal niet zo relevant. Iedereen die iets met die hoorzitting te maken had, is trouwens ook onthoofd, maar dit dus terzijde.

Terug naar het verhaal: hoe prettig de stem an de prinses ook klonk, ze moest niet aan het paard van de koning komen, want wat in onze tijd een auto voor een man is, was in die tijd voor mannen een paard. Inclusief alle accessoires. Zoals verchroomde stijgbeugels en dat soort dingen. Dus als je aan zijn paard kwam, kwam je aan de koning. En dat zei de koning dan ook: “Je moet niet aan mijn paard komen, want dan kom je aan mij!” Nou, nou, nou eigenlijk was dat meer schreeuwen zeg!

En hij wist dat zijn prinses niet wilde dat hij schreeuwde, want ze had een heel beschaafde opvoeding gehad. Maar ja, aan de andere kant, kon de koning er ook eigenlijk niets aan doen want hij was natuurlijk een beetje gespannen en had de afgelopen nachten maar weinig geslapen. En o ja, hij had ook nog een slechte jeugd gehad (zijn vader had een keer ‘nee’ tegen hem gezegd – hij wist niet meer waar het ook alweer precies om ging, maar het was hard aangekomen, dat wist ie nog heel erg goed.)

“John 6th!” (De koning was inderdaad Jan de Zesde, zoon van Jan de vierde – dat vraagt natuurlijk om een uitleg, maar daar is hier geen ruimte voor).

“This is no tone om to your wive on te slaan! Behave your selfe!”. De koning kreeg nu een andere tint rood, niet omdat de stem iets bij hem opriep, want daar was de situatie nu niet echt naar. Maar omdat de roodheid van boosheid veranderde in de roodheid die beter bij schaamte past. “I’m sorry dear, I let myself even gaan. Ach wat nou, jij met je steenkolen Nederlands, nu begin ik zelf ook al”.

En toen moesten ze allebei heel hard lachen, want ze hielden zoveel van elkaar, dat ze nooit lang ruzie konden maken.

“Goed”, zei de koning uiteindelijk, nog nahikkend, “we sturen wel een postduif”. “Moet je wel zorgen dat hij een tom-tom heeft, ha ha!”(soms kwam het Nederlands er opvallend vlot uit bij de prinses – zou ze misschien expres soms zo raar Nederlands praten, dacht de koning wel eens stiekem, zou ze weten dat hij ….)

En weer lagen ze allebei dubbel, hoewel de koning geen idee had waar zijn vrouw het over had… Dat kon ook niet, want routeplanners waren in die tijd – we praten van heel, heel lang geleden, nog helemaal niet uitgevonden.

Toen ze eindelijk helemaal waren uitgelachen, zei de Koning: “ik stuur wel een mannetje”. Toen hij dat gezegd had, realiseerde hij zich dat hij ook niet bij zijn schoonmoeder op de thee hoefde. En hij begon te grijnzen. “Wat is er my dear?” vroeg zijn vrouw nieuwsgierig. “O, eh… niets mijn liefje, ik bedacht gewoon hoe fijn het was om hier bij jou te kunnen blijven”.

En zo riep hij een snelle jongen op een paard bij zich, gaf hem een goudstuk en vroeg hem of hij de verzegelde brief met het geboortekaartje naar cleanmother wilde brengen. Niks mis mee, zul je zeggen. Gewoon een kwestie van ruilen en gelijk oversteken.’

Maar de jongeman deed zijn werk goed en was zo snel weer terug  dat hij meer opdrachten kreeg. En om nu een heel lang verhaal heel kort te maken: zo ontstond een bedrijf, dat bij de mensen bekend stond als “de P’’. Inderdaad de “P” van Post. Maar dat lag niet lekker in de mond. Niemand vond het cool om te zeggen “ik werk bij P”. Nu wilde het toeval dat de koningin had bevolen dat er in alle bedrijven twee maal per dag Thee moest worden gedronken, want zo was ze nu eenmaal opgevoed. Die twee T’s kon men nu mooi achter de P zetten. Zo ontstond Post Thee Thee. En net in de tijd dat men bijna geen thee meer dronk omdat iedereen koffie wilde, leerde men ook ‘ver te schrijven’ of met een moeilijk woord te ‘telegraferen’ en werd ook de telefoon uitgevonden. Dat was dus weer precies op tijd. Nu kon men die overbodige letters daarvoor gebruiken: Post, Telegraaf, Telefoon. Later vond met die letters ouderwets worden en heeft men van een ander bedrijf een paar nieuwe letters gekocht. Toen werd het TNT. Maar dat heeft de koning gelukkig net meer mee hoeven maken.

De PTT was een zeer nuttig bedrijf. Want stel je voor dat we allemaal zelf onze post zouden moeten bezorgen. Dan zouden we helemaal de hele dag met zijn allen in de file staan! Het postbedrijf beantwoordde dus aan een behoefte van de mensen. Het was een goed bedrijf. In het begin dacht men bij de PTT: dit is best leuk werk, maar we gaan het niet voor niets doen. Om het bedrijf gezond te houden moeten we een redelijke vergoeding vragen aan de mensen die brieven willen versturen. Want daarmee kunnen we onze postbodes betalen, nieuwe fietsen kopen, als die het na veertig jaar begeven en kunnen we ieder jaar voor de kinderen van al onze postbodes een leuk Sinterklaasfeest organiseren. En zo deden ze het ook en alle postbodes, en de directeur die het allemaal bedacht had (inderdaad, de achter- achterkleinzoon van die jongen op het paard) leefden nog lang en gelukkig.

Kortom de PTT was een gezond bedrijf en had nog jaren kunnen blijven bestaan. Maar toen het bedrijf groter en groter werd, bedacht de directeur dat er iemand moest komen om te kijken of het met het geld allemaal wel goed ging. Hij zette een advertentie en gelukkig daar reageerde iemand op. Het was een man met een sikje en een snorretje en hij zei dat hij boekhouder was en de boekhouder legde uit, dat hij juist alles over geld geleerd had en dat hij daar zelfs een diploma voor had gekregen. De directeur bewonderde het diploma, zocht in zijn portefeuille naar een munt en gaf de boekhouder een stuiver voor zijn mooie diploma. Dat deed hij namelijk bij zijn kinderen ook altijd als ze met een mooi rapport thuis kwamen. De boekhouder straalde van geluk en bood aan om dan maar gelijk aan de slag te gaan. De boekhouder was een man die aardigheid in zijn werk had maar dat was in die tijd niet zo vreemd: iedereen had aardigheid in zijn werk. Dat is inderdaad raar, maar het waren andere tijden en het is bovendien ook maar een sprookje, moet je bedenken. De boekhouder was heel erg gek op centen en stuivers en dubbeltjes en kwartjes en guldens en hij had een topdag als er een keer een rijksdaalder voorbij kwam. Zo gek was de boekhouder op al die muntjes, dat hij er steeds meer en meer van wilde zien. En omdat de directeur en de andere mensen die de directeur intussen had aangenomen, dat zeer goed begrepen, werd hij binnen het bedrijf steeds belangrijker. Altijd zat hij over zijn centen en zijn guldens te praten, niet alleen tijdens Zeer Belangrijke Vergaderingen, maar ook in de pauzes als iedereen zijn boterhammen opat – in die tijd kon je nog geen gehaktballen in de lunchpauze kopen en werden ’s morgens vroeg 6 boterhammen in een trommeltje gedaan. Ja, zelfs als de boekhouder collega’s op het toilet tegenkwam, begon hij over zijn centen en kwartjes te praten. En zo kwam het dat anderen ook steeds meer over centen en dubbeltjes en kwartjes gingen praten, en heel soms ook wel eens over een gulden of een rijksdaalder. Alleen de koffiejuffrouw zei soms zachtjes: “het ging toch eigenlijk om het bezorgen van de post?”. Maar of ze hoorden haar niet of ze lachten haar uit.

Het gevolg van dit alles was dat de postbodes en de directeuren dachten dat ze bij de PTT waren gaan werken om centen en dubbeltjes te verdienen en iedereen vergat dat het eigenlijk alleen maar de bedoeling was om mensen te helpen die dringend een brief wilden sturen.

Minder dringend mocht na een tijdje ook wel, zoals bijvoorbeeld een ansichtkaart uit Beekbergen. Of Loenen. Of Hoenderloo. Zeg maar het hele Veluwegebied in de driehoek Arnhem – Amersfoort – Zwolle. Later mocht Zuid Limburg ook, Valkenburg, Maastricht enzo. En de ouden van dagen schudden het hoofd en zeiden tegen elkaar: “de normen vervagen, waar moet dit heen, dit komt niet goed”. Maar de directeur van de post trok zich hier niets van aan en na een paar jaar maakte het niet meer uit waarvandaan je een kaart wilde sturen. De afdeling die moest controleren of de post ook echt nuttig was, werd gesloten. De beer was los, de geest uit de fles. Iedereen mocht van alles sturen. Mits binnen bepaalde afmetingen.

Dus toen de boekhouder op een zekere dag zei: ‘de mensen moeten meer brieven gaan sturen, want dan krijgen we meer centen en guldens’, vond iedereen dat heel erg logisch. Behalve de koffiejuffrouw, die zei zachtjes: ‘maar wat moeten de mensen dan in al die brieven schrijven?’En hoewel de koffiejuffrouw het heel zachtjes had gezegd, werd iedereen wel even stil want niemand had daar aan gedacht. ‘Nou eh…. gewoon’ zei de boekhouder, ‘gewoon… eh… over het weer en of het nu te koud is voor de tijd van het jaar is of juist te warm en of de coniferen al in bloei staan. Dat soort dingen, er is genoeg belangrijks te melden…’.

Opgelucht dat hij een goede inval had gehad, en ook een beetje trots, keek hij in het rond. De koffiejuffrouw durfde niets meer te zeggen – zelfs niet dat volgens haar coniferen nooit echt geweldig in bloei staan – want ze voelde zich erg dom tussen al die wijze mannen.

En de directeur van de afdeling Ansichtkaarten Binnenland, die de boekhouder altijd zeer goed begreep, zei “ik krijg nooit een kerstkaart van mijn schoonmoeder, als ik haar nou eens kan overhalen om dit jaar wel een kaart te sturen?”. ‘Hmm, zei de boekhouder, die het jammer vond dat hij dit niet zelf bedacht had. ‘Hmm, dat is op zich een aardig plan. Een heel aardig plan… Maar misschien, heel misschien, zet één kerstkaart extra, onvoldoende zoden aan de dijk”. De directeur Ansichtkaarten Binnenland wilde eigenlijk wel een beetje boos worden, want hij voelde zich toch wat te kakken gezet, en dat vond hij vervelend, vooral ook omdat het lagere personeel, zoals de koffiejuffrouw, erbij was. Maar hij snapte op een bepaalde manier ook ergens wel dat de boekhouder een beetje gelijk had. Hij zat koortsachtig te denken hoe hij zich uit deze situatie moest redden, toen de directeur ‘pakjes van 1-5 kilogram’ opstond. Hij had een idee maar aarzelde om het te zeggen omdat zijn eigen afdeling geen guldens en centen extra zou verdienen met dit voorstel. Maar hij wilde ook graag een goeie beurt maken, dus zei hij het toch maar “als we naar alle huizen nou eens een brief sturen waarin staat dat álle mensen meer kerstkaarten moeten sturen?” Even was het stil en durfde niemand op dit vreemde voorstel te reageren. Maar toen de hoofddirecteur ‘Yes, prima plan’ zei, begon iedereen door elkaar te roepen dat dit toch wel een heel prima plan was. En dus huurden ze een dure reclamemeneer in – hij kwam zelfs voorrijden met een auto, iedereen hing voor de ramen – en die schilderde op een heel groot bord: alle mensen moeten meer kerstkaarten gaan sturen want de PTT wil meer guldens en centen hebben. Toen de Belangrijke Directeuren dit lazen werden ze heel enthousiast. Alleen het laatste deel van de zin moest nog veranderd worden, want dat klonk niet zo goed vonden ze.

De reclamemeneer dacht heel lang na met een team van andere reclamemeneren en kwam toen na drie maanden terug met een ander groot bord, waar in grote letters op stond: U moet meer kerstkaarten gaan versturen want iedereen doet het! En iedereen moest dan wel in hoofdletters geschreven worden. Dat vonden alle directeuren een hele goeie reclametekst, vooral omdat het zo logisch klonk. Dat ze dat zelf niet bedacht hadden!

Toen de mensen van het land het bord lazen en de brief kregen, begonnen ze onmiddellijk zoveel mogelijk kerstkaarten te sturen. Want iedereen deed het immers, het was zwart-op-wit in de brief te lezen. En ze werden een beetje zenuwachtig bij het idee dat ze niet bij iedereen zouden horen. Iedereen ging dus kerstkaarten sturen. Gelukkig was het ook net kerstmis, anders was het misschien allemaal een beetje raar geweest.

En zo kwam het, dat de boekhouder elke dag glunderend op het werk kwam om zijn stapels centen en guldens te tellen: het werden er meer en meer en meer en hij moest bij het uitzendbureau mannen inhuren om het te helpen tellen. En die waren heel blij, want ze hoefden nu geen boodschappen meer te doen voor hun vrouw en mee te helpen met de opvoeding van hun kinderen of nog erger: de hele dag kerstkaarten aan rode linten hangen – omdat dat zo gezellig stond. Ze deden nu belangrijk werk: ze moesten tellen hoeveel geld de PTT verdiende!

Toen alle huizen vol hingen met rode linten met kerstkaarten en alle mensen van elkaar dachten: ‘nou nou, als die zoveel kaarten heeft gekregen, dan zal die wel veel vrienden hebben, dus zal het wel een aardig mens zijn’, kwam er zo rond half januari, een dag dat de stapel centen en guldens van de boekhouder niet langer meer groeide. Maar nu hoefden ze niet lang meer na te denken. ‘Iedereen moet elkaar Valentijnskaarten gaan sturen’ riep de directeur Kaarten Overzee, ‘want dat doen ze in Amerika ook’. En voordat iemand er iets tegenin kon brengen, voegde hij eraan toe ‘ik ben er zelf geweest’. Bijna iedereen kreeg op dat moment heel veel ontzag voor de directeur Kaarten Overzee vooral toen hij er plechtig aan toevoegde ‘uit hoofde van mijn functie’. Alleen de koffiejuffrouw vroeg zich af wat dit laatste betekende: zou hij steeds controleren of de kaarten ook echt Overzee kwamen?

De reclameman werd weer ingeschakeld en na lang nadenken kwam hij met een groot bord: U moet iedereen een Valentijnskaart sturen want dat doet iedereen. De directeuren waren zeer enthousiast over deze vondst. En omdat ze allemaal de smaak te pakken hadden stelden ze een nieuwe directeur aan: De algemeen Directeur Import Feestdagen. Deze kreeg als opdracht om over de hele wereld zoveel mogelijk feestdagen te zoeken. En de reclameman moest er dan weer voor zorgen dat er borden kwamen met leuke teksten, zodat iedereen kaarten ging schrijven. En zo gebeurde het. De mensen gingen steeds meer kaartjes schrijven: ze feliciteerden iedereen ze kenden met het de Grote Panamese Bananen Oogst Dag, Het Zimbabwaanse Pantoffeldiertjes Feest en het Zuid-Taiwanese Dankfeest voor de 8e dag van de 6e maand.

En het ging een tijdje erg goed met de PTT, zo goed dat de hele winkel werd verkocht aan TNT, zodat nog meer Grote Reclameborden gekocht konden worden. De heren van de TNT hadden allemaal wel een diploma boekhouden A, maar eigenlijk wisten ze niet echt dat ze een postbedrijf hadden gekocht. Dus gingen ze alle postkantoren verkopen. Want al die gebouwen en al die trouwe en zeer ervaren medewerkers kostten maar een boel geld…  Toen ze die dan ook niet meer hoefden te betalen, keken de heren elkaar tevreden aan. Helaas, er was nog één hardnekkige en grote kostenpost. Dat was het bezorgen van de post. Al dat sorteren en bezorgen van al die miljoenen brieven en kaarten, kostte het bedrijf handen met geld. Er werd gepiekerd en gepiekerd hoe ze dat probleem konden oplossen. Er werd een duur organisatieadviesbureau ingeschakeld en na een half jaar onderzoek kwam het adviesrapport. We zullen niet het hele rapport bespreken, maar het voornaamste punt stond op bladzijde 73: een dramatische bezuiniging kan bereikt worden door te stoppen met het bezorgen van post…

Toen de directeuren lazen hoeveel ze op deze manier konden bezuinigen, werden hun hoofden rood van opwinding. Dit was het, dat ze daar niet eerder aan gedacht hadden! Snel gingen ze aan de slag: alle postbodes werden ontslagen en ook alle sorteerders. De vakbonden riepen nog wel dat het allemaal niet eerlijk was, maar toen de directeuren dreigden om het hele bedrijf naar het buitenland te verplaatsen en beloofden dat de postbodes die langer dan 70 jaar in dienst waren geweest hun oude postbode-pet mochten houden, hield iedereen verder zijn mond.

Onmiddellijk ging de operatie van start. Het was een grote operatie, maar het leverde inderdaad al snel de beloofde bezuinigingen op. Helaas kwam er na enkele dagen een alarmerend emailtje van de boekhoudafdeling: Men snapte niet wat eraan de hand was, maar er kwam geen geld meer binnen. Oef dat was een tegenvaller. In een spoedvergadering waren de directeurn het er snel over eens dat niemand dit had kunnen voorzien. Snel gaven ze elkaar een gouden handdruk van het overgebleven geld en na wat telefoontjes hadden ze binnen een week allemaal een ander baantje, sorry, een nieuwe functie. De een als directeur, de ander als commissaris. En de nieuwe bedrijven waar ze gingen werken, moesten wel heel veel geld op tafel leggen voor al die know how die de heren meenamen, maar dat hadden ze er graag voor over. Ze waren trots dat ze zulke deskundige directeuren in huis hadden weten te halen!

En ze leefden steeds langer en steeds minder gelukkig.
En hoe dat laatste kwam, daar snapte niemand iets van.

Delen op Social Media
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Email this to someone
email